Deelgemeenten

Rumbeke

Rumbeke betekent  "brede beek" (1) en  is een oude parochie van de kasselrij Ieper, waarvan de kerk aan de heilige apostelen Petrus en Paulus toegewijd is en van 1116 af aan de abdij van Sint-Bertinus toebehoorde (2).

Het kasteel van Rumbeke, eigendom van de graven van Vlaanderen, ging tijdens de dertiende eeuw over aan de heren van Wervik, daarna achtereenvolgens aan de families van Nevele, Lichtervelde, Gistel en Antoing.

 De heerlijkheid van Rumbeke werd in 1426 door Jan van Antoing, heer van Briffeuil verkocht aan Seger van Langhemeersch. Maria van Langhemeersch huwde met Robert de Thiennes. Door dit huwelijk werd het kasteel eigendom van de familie de Thiennes-van Langhemeersch (3). De heerlijkheid Rumbeke werd tot graafschap verheven door patentbrieven, van 13 september 1649, van koning Filips IV ten gunste van René de Thiennes, heer van Lombise (4).

De graaf van Rumbeke huwde met Jeanne-Françoise van Croy, die hem een dochter schonk en een zoon, Louis-Thomas, de tweede graaf van Rumbeke.

René-Charles de Thiennes volgde zijn vader, Louis-Thomas, op en stierf in 1722, het graafschap Rumbeke overlatend aan zijn zoon Filips die huwde met Marie-Barbe, dame van Leeuwenburch. Hun erfgenaam was (in 1748) Charles-Louis-Albert de Thiennes, die tien jaar later met Marie-Anne van Lichtervelde huwde (5).

De heer van Rumbeke voerde in 1557 van keel met schildhoofd van zilver, met een gaande leeuw van sabel, getongd en geklauwd van keel (6). In 1792 droeg het zegel van de parochie en van het graafschap Rumbeke het wapen van de graven de Thiennes, d.i. van lazuur beladen in het hart met een gouden schildje, met zoom van lazuur, het schild gehouden door twee klimmende en aanziende leeuwen van goud, geklauwd en getongd van keel.

Het kasteel met het aanliggend Sterrebos behoorde tot 1856 toe aan de familie de Thiennes. Daarna was het kasteel met het aanliggend Sterrebos eigendom van de familie de Limburg-Stirum en sedert 1987 volledig in privaatbezit.

In de Hoogstraat bevindt zich het Baljuwhuis. Het huis werd in 1617 gebouwd in opdracht van Pieter Goudenhoofd, baljuw van Rumbeke en Roeselare tussen 1592 en 1632. Typisch is de inrijpoort en de renaissanceschoorsteen. De datum 1617 is met smeedijzeren ankers op de gevel aangebracht en geldt enkel voor het oostelijke, hoogste deel van het huis.

In de Sint-Petrus en -Pauluskerk wordt de Heilige Blasius vereerd rond zijn naamfeest op 3 februari. Dan worden de kinderen bedacht met de speciale Heilige Blasiuszegen.

Meer uitleg over de bezienswaardigheden in Rumbeke, waaronder het kasteel van Rumbeke en de Sint-Petrus en -Pauluskerk, staan vermeld in het item toerisme.

(1) CARNOY, O.N.C.B., deel II, blz. 599.
(2) WARNKOENING-GHELDOLF, Histoire de ville en châtellenie d´Ypres. Blz. 214.
(3) DE SEYN, D.C.B., deel II, blz. 1070.
(4) DE HERCKENRODE, Nobiliaire des Pays-Bas. Deel II, blz. 1680.
(5) DE VEGIANO, Nobiliarie des Pays-Bas. Deel I, blz. 301-303.
(6) GAILLIARD, A.N.F., blz. 46

Het kasteel van Rumbeke

Oekene

Het kleine landelijke Oekene zit aardig geprangd tussen grote buren.  Bij een wandeltocht in dit groene oord zie je tal van grote en middelgrote landbouwuitbatingen. Al of niet van een klinkende naam voorzien, ademen ze een diepe rust. Opvallend zijn de oude bidkapellen, die het wel en wee oproepen van de vroegere bewoners.

Een monument te Oekene is de zeker onvolprezen Sint-Martinuskerk, het oudste gebouw in het dorp.

Oekene lag destijds "upde heerstrate die naer Cortrijcke loop", zegt een 16de eeuws document, een verbindingsweg van Doornik naar Oudenburg, die tot stand kwam tijdens de periode van de romanisering. Men neemt aan dat "van in onheuglijke tijden" een kapel op dat lapje grond overeind stond. De patroonheilige Martinus, aldus sommige specialisten, is een duidelijke aanwijzing dat een bidplaats met deze heilige als schutspatroon in de Merovingische periode moet zijn ontstaan.

Met precieze zekerheid is het niet te zeggen wanneer een capella werd opgericht. Feit is dat 1116 het vroegste jaartal is dat gewag maakt van een capella in Hocana, aldus een charter bewaard in het Gentse Rijksarchief. Het was bisschop Lambertus van Noyon-Doornik die het patronaatsrecht van het altare van Rumbeche met de twee kapellen, Cakingehem (=Kachtem) en Hocana (=Oekene) aan de toenmalige abt van Sint-Omaars overmaakte. Er werd meteen een pastoor aangesteld om de parochie met beide afhankelijkheden te bedienen. Beweerd wordt dat Oekene een afzonderlijke parochie werd in 1252 maar de ons vroegst bekende pastoor is Jan Hellinc (1447-1455).

Dat vroege kerkje in Oekene, de capella Hocana had een vierkante toren, met een achtkantige spits, maar de toren stond niet aan de noordkant van het kerkgebouw, zoals dat nu wel het geval is, doch in het midden. Het koor was oostwaarts gericht. De geuzen vernielden het gebouw in de 16de eeuw.

Nadien kwam een nieuwe kerk tot stand. Of liever : het verwoeste heiligdom werd uitgebreid. Er werd een middenbeuk opgetrokken en voorts kwam een zijbeuk tot stand, met een Martinusaltaar, te situeren aan de kant van de huidige sacristie. Het vroegere kerkje werd omgevormd tot een tweede zijbeuk, met een Onze-Lieve-Vrouwaltaar. Deze zestiende eeuwse kerk kwam met het koor tot aan de huidige communiebank.

De parochiekerk was toen 16 meter lang en 16,5 meter breed. De ingang onder de toren (6 meter doorsnee) en het koor (circa 7 meter lang) uitgezonderd.

Zo verkrijgen we een duidelijk inzicht in de grootte van het eerste kerkje, met name de helft van het huidige linkerkoor. Omdat veel Rumbekenaars s zondags de Oekense kerk aandeden omwille van de voor hen gunstige ligging, achtte pastoor Ferdinand Glorieux (1892-1912) het noodzakelijk het kerkgebouw te laten uitbreiden, waarvoor dan een ouderlingengesticht werd gesloopt.

De eerste steenlegging van de groots opgevatte werken aan de Sint-Martinuskerk vond plaats met Oekene-Ommegang op 18 juli 1895, een verheugend feit voor de pastoor die in de noordmuur de eerste steen mocht inmetselen, bijgestaan door de leden van de kerkraad.

De nieuwe sacristie en bergplaats waren voltooid tegen het einde van 1896.

Wie de parochiekerk binnenstapt, merkt vlug enkele bijzonderheden op. Naast het fameuze Van Peteghem-orgel en de fraaie predikstoel, ziet men achteraan een oude gedenksteen.

In de 15de eeuw was de heerlijkheid eigendom van de edele familie Van Moerkerke. Jan Van Moerkerke stichtte in 1489 een fondatie aan de Oekense dis. De tekst van die fundatie staat gebeiteld op de merkwaardige arduinen steen, ingemetseld tegen de westmuur boven één der wijwaterbakken. Deze gedenksteen is een overblijfsel van de "tweede kerk", van na de geuzentijd.

Onderaan de gedenksteen staat in gotische letters een opschrift die de liefdadige stichting meldt ten voordele van de arme inwoners van de "prochie".

Boven op de steen staat een piëta, Onze-Lieve-Vrouw gezeten met de dode Christus op haar knieën. Enerzijds zien we een geknielde Jan Van Moerkerke, met naast zich zijn patroon, de heilige Jan-Baptist, met een Lam Gods in zijn hand. Achter Jan knielen zijn zes zonen. Anderzijds knielt Margriete, zijn vrouw, met haar patrones de heilige Margaretha met de draak en, eveneens geknield, hun vijf dochters.

Beweerd wordt dat het hier om de oudste uitgebeitelde Vlaamse tekst zou gaan.

Vermaard orgelinstrument
Wie in de Oekense kerk even omhoog blikt, merkt een wonderbaar orgel, een "Van Peteghem".

De bouw van het orgelinstrument werd toevertrouwd aan Pieter Van Peteghem uit Gent. Boven de middelpijpenbundel vinden we op een klein sierplankje het jaartal 1781, jaar waarin vermoedelijk het orgel voltooid werd. Een deel van de werkzaamheden werden uitgevoerd door schrijnwerker Josephus Staes uit Rumbeke.

De orgelkast is in stijl Lodewijk XVI en aanvankelijk stond het front op de balustrade, terwijl het klavier langs achter aangebracht was en de organist door een kleine opening in het meubel de priester aan het altaar kon zien.

Bij de bouwwerken in 1895-1896 werd het oude doksaal gesloopt en er kwam een gotische balustrade in de plaats, welke men nu nog aantreft. Het orgelmeubel zelf werd ietwat achteruit geschoven tot onder de torenmuur en het klavier werd naar voor gebracht zodat de speeltafel zich momenteel bevindt op het doksaal.

(1) CAGNEAUX, A., Geschiedenis van Ouckene. Roeselare, 1992, 220 blz.

Beveren

Beveren bij Roeselare was tot de jaren 1960 een vredig dorpje met één groot bedrijf namelijk de carrosserie Jonckheere, die een groot deel van de Beverse mannenbevolking tewerk stelde.

Tot aan de expansiejaren telde Beveren ongeveer 800 woningen, de 143 landbouwbedrijven inbegrepen. De bevolking leefde van landbouw en veeteelt, vooral graangewassen en cichoreiwortels.

De arbeiders waren hoofdzakelijk tewerkgesteld in de industriële bedrijven, gericht op de autohandel en carrosserie. De lokale kleine handelsbedrijven werden beschouwd als bijverdienste.

Vanaf 1960 veranderde Beveren grondig.

Het Statiekwartier verdween voor een industriezone of bedrijventerrein "Roeselare-Noord" waar grote bedrijven zoals de electronicareus Philips, Dumo Plastics (schuimrubber) en Verhoestraete (metaalhandel) zich vestigden.

Het bestaand bedrijventerrein aan de Brabantstraat breidde uit, hofsteden verdwenen en gronden werden verkaveld. In de plaats kwamen onder meer de firma Snauwaert & Depla N.V., die tennisraketten en ruimtevaartonderdelen in kunststof vervaardigden maar die ondertussen van de markt verdwenen is, en de firma Jonckheere, carrosserie.

De firma Jonckheere startte als een familiebedrijf, door Henri Jonckheere in 1881 gesticht voor het bouwen van koetsen, maar groeide vrij snel uit tot een toonaangevende naam op de wereldmarkt van autobus en autocarindustrie. Bij het begin van deze eeuw carrosseerde de firma de eerste "luxe-voiture" en bij de aanvang van de jaren twintig startte de firma met de bouw van autobuscarrosserieën. De carrosserie Jonckheere is de bakermat van het carrosseriebedrijf in de provincie en heel het land. Ondanks enorme inspanningen, ontwikkelingen en uitbreiding, verkeerde het bedrijf in 1994 in moeilijkheden die ertoe leidden dat de Nederlandse firma Berkhof het carrosseriebedrijf overnam.

In 1987 werd het bedrijvencentrum, waar beginnende zelfstandigen zich kunnen vestigen in afwachting van een eigen administratie en beheer, opgestart.

Per 1 juni 1964 werd Beveren officieel gefusioneerd met Roeselare. Vanaf dan valt het dorp binnen het administratief arrondissement Roeselare, onder het gerechtelijk arrondissement Kortrijk en onder het gerechtelijk kanton Roeselare.

De naam Beveren tref je in de geschiedkundige documenten voor het eerst aan in het begin van de elfde eeuw. Sommige bronnen spreken van een oudste vermelding in 1149 als Beurene, andere halen aan dat in 1145 reeds de plaats was gekend onder de naam Beverna, later Bevrene, Beiverne, Bevre en Beveren.

De naam Beveren verwijst naar het Keltische "Bebrona" (bebro = bever) of van het Ger-maanse "Bivruno (bivru = bever).

Carnoy beweert dat "Beveren" is ontleend aan een beek (Bebronna), wat betekent : water van bevers, water waarin bevers leven.

In de vroegste tijden behoorde het altaar van Beveren toe aan het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Doornik. Op bestuurlijk vlak was Beveren vóór de Franse Revolutie ingedeeld in twee heerlijkheden : Beveren en Onlede. Beide heerlijkheden hadden een afzonderlijk bestuur of "wet", met een eigen burgemeester. De heer was gemeenschappelijk.

Het dorp Beveren is nu nog altijd onafscheidelijk verbonden met de naam "Onlede", naar de vroegere heerlijkheid. Tijdens de middeleeuwen behoorde Beveren tot het Brugse Vrije en bestond uit meerdere heerlijkheden waarvan de grootste die van Beveren en van Onlede waren. De beroemdste zoon van het dorp is Jan van Vlaanderen, heer van Beveren en Onlede, bastaardzoon van graaf Lodewijk van Male. Jan Beveren en zijn vrouw Margaretha Boulangère kregen een laatste rustplaats in de kerk van Beveren, het graf werd overgebracht naar het Gruuthuse-museum te Brugge. Als wapen voert het dorp Beveren het schild van Jan van Vlaanderen.

De kerk van Beveren bevindt zich op het Sint-Germanusplein. De torenkuip van de kerk Heilige Kruisverheffing dateert uit de 16de eeuw en van oudsher is ze bekend als bedevaartsoord voor de Heilige Donatus en Sint-Antonius Abt.

In de sacristie van de kerk wordt een merkwaardig processiekruis, in Doornikse smeedkunst uit de 13de eeuw, bewaard. Het processiekruis, ook wel Miraculeus Kruis genoemd, is vervaardigd uit hout en met zilver beslagen. Vroeger bevond zich, aldus de overlevering, een splinter van het kruis van Christus in het mirakelkruis. Nu wordt deze relikwie eveneens in de sacristie bewaard.

Aan het processiekruis zijn een aantal legendes verbonden. Zo zou op zeker tijdstip het kruis uit de kerk gestolen zijn. Het begon echter zo zwaar te wegen dat de dieven er zich moesten van ontdoen en het op een stuk land onderdolven. Later groeide op die plaats kruid, witte bloemen in de vorm van het kruis, waardoor het teruggevonden werd. Een andere legende vertelt dat op zeker ogenblik het kruis dat zich in een kamer van het huis van de koster bevond, ontsnapte aan een brand die het hele huis verwoeste uitgezonderd de kamer waarin het kruis zich bevond. Tevens zijn er twee wonderbaarlijke genezingen aan het mirakelkruis gewijd, met name het verhaal van een blind meisje dat in de kerk tijdens de zegening met het kruis plots uitriep : " Wat doet die meneer daar ?" en het verhaal van een razende man die genas tijdens de mis. Van deze verhalen is, binnen in de kerk, een afbeelding te zien onder de vorm van twee drieluiken.



terug naar vorige terug naar boven deze pagina afdrukken deze pagina downloaden als pdf deze pagina toevoegen aan favorieten deze pagina doorsturen naar een vriend


  UiT kalender
UiT in Roeselare
Juni 2013
M D W D V Z Z
     12
3456789
10111213141516
17181920212223
24252627282930

Zelf een actitiveit toevoegen? Dat kan via www.UiTdatabank.be

  Volg Stad Roeselare op
Volg Stad Roeselare
  Ieder zijn mening
Doe mee aan de poll
  Bruisende stad
Bruisende stad