| Goedemorgen, 21/5/2012 |
De familie RodenbachAlbrecht RodenbachAl op de lagere stadsschool te Roeselare vertoonde Albrecht Rodenbach een buitengewone begaafdheid en een plastische aanleg. Op elfjarige leeftijd werd hij in oktober 1866 leerling aan de voorbereidende afdeling van het Roeselaarse Klein Seminarie, het bisschoppelijk instituut waarvan de toenmalige geest en inwendige evolutie van het leraarskorps determinerend zouden worden voor de verstandelijke opbloei en de ideeënrijkdom van Albrecht. Tussen 1870 en 1876 volgde hij er de Grieks-Latijnse humaniora met een merkwaardig succes. Hij was laureaat van retorica in 1876 en bekwam daarvoor vanwege het Roeselaarse Stadsbestuur de gouden stadsmedaille. Tijdens deze collegejaren onderging hij de invloed van talrijke priesterleraars, speciaal van diegene die de heropstanding van Vlaanderen betrachten en Guido Gezelle als "de meester" volgden : Gustaaf Flamen, Emiel Demonie en anderen, maar vooral van de retoricaleraar en "levenwekker" Hugo Verriest. Van deze laatste aanhoorde Albrecht op 26 december 1872 de voordracht "Eertijds heeft er een volk bestaan" in de vergadering van de flamingantische vereniging "De bond voor Taal en Volk" te Roeselare. Deze historische gefundeerde wekroep bleef niet zonder weerklank ook niet in de "Lettergilde", als het ware de niet-institutionele vergaderplaats van de collegeleerlingen, waarin ook Rodenbach zijn eerste literaire bijdragen pleegde. Onder stuwing van de poësisleerlingen, met Albrecht Rodenbach en Julius De Vos aan het hoofd, brak in juli 1875 in het Roeselaarse Klein Seminarie "De Groote Stooringe" los, een kleine maar betekenisvolle revolte tegen de verfransing-mentaliteit en verstarrende pedagogie van het middelbaar onderwijs. Geïnspireerd door Consciences werken en symboliek greep ook Rodenbach naar zijn talentvolle, romantische pen en schreef liederen en gedichten, onder andere "De Blauwvoet" dat het Stooringelied werd. "De Blauwvoeterij" was geboren ...
Met deze gedachteninhoud, een Vlaams-nationaal reveil in kunst en politiek, kwam Albrecht Rodenbach, niet zonder aanmoediging van Hugo Verriest, in oktober 1876 aan de Katholieke Universiteit te Leuven rechten studeren. Onmiddellijk trad hij actief op in de Vlaamse strijd. Hij schreef bijdragen voor "De Vlaamsche Vlagge", het tijdschrift der "West-Vlaamsche Gebroeders" dat sedert 1875 de studerende jeugd in Vlaanderen wilde motiveren, en stond in voor de redactie ervan tot september 1877. Te Leuven was hij, in februari 1877, medestichter van de studentenafdeling van het "Davidsfonds" en bracht nieuw leven in het letterkundig genootschap "Met Tijd en Vlijt". Hij plande de oprichting van een Vlaams Studentenbond en hield tijdens de paasvakantie 1877 te Gent daarvoor de programmarede. De Vlaamse heropstanding is de taak van de elite, om het volk te bezielen waardoor voldoende politieke macht kon veroverd worden om de Vlaamse Beweging te realiseren. Op 5 september 1877 werd het studentenverbond te Gent opgericht : Rodenbach was de eerste hoofdman en nam de redactie van het viermaandelijks tijdschrift "Het Pennoen", samen met Pol de Mont en Flor Heuvelmans, op zich. Deze tijdrovende activiteit in de Vlaamse studentenbeweging belette zijn letterkundige bedrijvigheid niet. In augustus 1877 verschenen vijftien gedichten van zijn hand in "Een vijftig Vlaamsche studentenliederen", in december 1878 verscheen de bundel "Eerste gedichten" te Roeselare, en in februari 1879 ontving hij het gouden eremetaal van de "Vlaamsche Broederbond" te Brugge voor zijn dichtwerk "Breidel en De Coninck". Hugo Verriest, die ondertussen principaal geworden was aan het Sint-Vincentiuscollege te Ieper, spoorde de jonge letterkundige aan in wie hij een Vlaamse Goethe zag Rodenbach schreef zijn drama "Gudrun" in 1878 en stuurde het in voor een toneelwedstrijd van de stad Antwerpen. De jury bekroonde het met een erepenning. Ondertussen had hij te Roeselare een Vlaamse studentenspelersgilde opgericht, met de bedoeling door toneel het Vlaams bewustzijn bij het publiek aan te wakkeren. Voor deze spelersgilde schreef hij enkele historische toneelstukken. Vanaf 1878 beleefde Rodenbach een zieledrama veroorzaakt zowel door een jeugdige liefdesdrang, als door een geestelijke en religieuze twijfel. Te Leuven zocht hij terzelfdertijd contact met "La Jeune Belgique", en verzorgde vanaf oktober 1879 een Vlaamse kroniek in "La Semaine des Etudiants". Hugo Verriest hielp de jonge, romantische "Streber" de innerlijke strijd te overwinnen. In december 1879 kwam het tot een breuk met Pol de Mont en stelde ziekte een einde aan Rodenbachs scheppende werk. In het voorjaar 1880 bleek de ziekte ongeneeslijk en werd hij naar zijn thuis te Roeselare overgebracht. Hij overleed aldaar op 23 juni 1880. Na zijn overlijden bleef Rodenbachs markante en strijdvaardige geest de Vlaamse studentenbeweging begeesteren. Zijn "Gudrun" verscheen in 1882. Zijn dichtwerken werden herhaaldelijk herdrukt. Zijn leven en werk mocht op talrijke literaire en biografische publicaties bogen. In 1888 werd voor hem een praalgraf op de stedelijke begraafplaats te Roeselare opgericht en in 1909 werd er zijn standbeeld met de vliegende Blauwvoet, door Jules Lagae geboetseerd, ingehuldigd. Roeselare, Rodenbachstad, huldigde het "wonderkind" in 1919 (herplaatsing van het standbeeld) en in 1956 ter gelegenheid van het eeuwfeest van zijn geboorte (een Rodenbachstoet, een Rodenbachspel en de opvoering van "Gudrun"). De familie RodenbachDe link tussen dichter Albrecht Rodenbach, de familie Rodenbach en de Rodenbach-brouwerij is niet altijd even duidelijk voor de leek. Hoewel die vlug kan gelegd worden. De Rodenbach's zijn geen "oude" Roeselaarse familie. 200 jaar terug was de naam onbekend zowel in het kerk- als schepenarchief van de stad. De Rodenbach's komen uit Duitsland, meer bepaald Andernach aan de Rijn, waar ze reeds bekend staan in 1310. Zij voeren een wapen "d'or à 2 fasces d'azur". Een legende vertelt van Ridder Rodenbach die de schoonheidskoningin van Heidelberg huwde, maar die legende schijnt thuis te horen bij de Rodensteins, en zou maar "geleend goed" zijn Ferdinand Rodenbach, geboren te Andernach 1714, is de eerste Rodenbach die zich in Roeselare komt vestigen. In het midden van de achttiende eeuw is hij krijgsgeneesheer in het Oostenrijks leger dat in onze streken Lodewijk XV komt bevechten. Na de oorlog trouwt Ferdinand Rodenbach in 1748 te Rijsel met Johanna Vandenbossche van Wacken en komt in juni 1749 naar Roeselare. Op 17 juli daaropvolgend wordt hij "gheadmitteert by het Collegium Medicum van Ipre" en vestigt hij zich te Roeselare als meester-chirurgien. Hij schrijft in het Duits verschillende werken over geneeskunde. In 1762 koopt hij een huis "van suyden d'Iperstraete" en gaat er wonen. In 1773 wordt hij poorter van Roeselare. Tien jaar later, in 1783, sterft Ferdinand Rodenbach er. Uit het huwelijk van Ferdinand en Johanna komen acht kinderen voort, waarvan er vijf, drie dochters en twee zonen, groot groeien. Ferdinands oudste zoon, Pieter Rodenbach, wordt geboren in 1759. Na zijn studies te Rijsel en Gent, volgt Pieter in 1782 zijn vader op als chirurgien te Roeselare. Datzelfde jaar trouwt hij met Anna Degeest, geboren in Brugge als dochter van Roeselaarnaar Gregorius Degeest-Nory. In 1792 koopt Pieter een huis "op de westcant van de Noordstraete ende maeckende den noorderschen houck van de brauwerystraete", namelijk in de Noordstraat nr. 51 en gaat er wonen. Dichter Albrecht Rodenbach wordt in 1856 in datzelfde huis geboren als achterkleinzoon van Pieter Rodenbach Onder het Frans bewind laat Pieter Rodenbach zijn chirurgijnswinkel varen en wordt jeneverstoker. Een stokerij is gelegen op "Cleen Spagnien" waar nu de firma Talpe haar magazijnen heeft. Pieter Rodenbach is Fransgezind en een vurig bewonderaar van Napoleon. Reeds in 't jaar VII der Franse Republiek wordt hij "administrateur municipal" en 13 nivôse jaar IX benoemt Napoleon hem tot "adjoint au maire". Pieter Rodenbach overlijdt te Roeselare in 1820. Tussen 1783 en 1794 worden in het gezin Rodenbach-Degeest zeven kinderen geboren, zes zonen en één dochter. Twee zoontjes sterven op jonge leeftijd, de vier anderen voleindigen hun studies te Parijs. Alexander, blind geworden op jonge leeftijd, wordt vruchteloos geopereerd door Baron Dubois, de lijfarts van Napoleon. Ferdinand, Constantin en Pedro vechten onder Napoleon. De vier broers spelen bij de omwenteling van het jaar 1830 een voorname rol in Vlaanderen en maakten zo voor het eerst de naam Rodenbach populair in Roeselare. De oudste zoon van Pieter Rodenbach, Ferdinand Rodenbach, ook de gezapige genoemd, wordt geboren in 1783. Hij overlijdt te Ieper in 1841. Ferdinand, die in 1807 luitenant geweest was bij de "grenadiers de la garde nationale" en in 1821 deel uitmaakte van de "regentie" te Roeselare, wordt in 1830, samen met Bartels, aanvoerder van de eerste compagnie vrijwilligers uit Vlaanderen. Op het einde van zijn leven wordt Ferdinand arrondissementscommissaris te Ieper. In 1816 huwt Ferdinand met Mar. Jacq. Vermandere. Samen krijgen ze tussen 1816 en 1839 tien kinderen waaronder :
Pieters tweede zoon, Alexander Rodenbach, de wijze genoemd, wordt geboren in 1786. Alexander is vooral bekend onder de naam "Blinde Rodenbach" of "l'Aveugle de Roulers". Ondanks blindheid vanaf elf jaar, werkt hij zich op tot een staatsman van gezag en wereldfaam en een weldoener voor blinde lotsgenoten. Zijn vader zendt hem studeren aan het blindengesticht van Valentin Haüy te Parijs, waar hij reeds opgemerkt wordt om zijn buitengewone begaafdheden. Tijdens een bezoek dat Paus Pius VII aan dit gesticht brengt, schenkt de Paus Alexander een zilveren paternoster, die nog steeds bewaard wordt in de familie. Terug thuis in de Noordstraat wijdt "Blinde Rodenbach" zich aan z'n vaders zaken en aan de studie vooral met betrekking tot blinden en doofstommen die altijd z'n zorgenkinderen gebleven zijn en die in die tijd algemeen, als onnutte wrakken der samenleving, aan hun lot overgelaten werden. In 1828 verschijnt van de hand van Alexander "Lettre sur les Aveugles" en in 1829 "Coup d'oeil d'un aveugle sur les sourds-muets". Ondertussen neemt de voorbereiding van de Belgische Omwenteling zijn werklust in beslag. In Roeselare wordt hij de promotor van het beruchte Petionnement en voorstander van een eendrachtig samenwerken tussen Katholieken en Liberalen tegen het Hollands bestuur. Hij haalt Deken Moens over om, als éérste geestelijke, het petionnement mee te ondertekenen. Dankbaar voor zijn inzet in die gevaarlijke tijden, stuurt de bevolking van Roeselare hem naar het Nationaal Congres, waar hij met aandacht en eerbied wordt aanhoord. Alexander vervult gedurende 38 jaar een zeer actieve rol als volksvertegenwoordiger in het Belgische Parlement. Daarbij is hij gedurende bijna 25 jaar burgemeester van Rumbeke en verricht er, op gebied van onderwijs en volksontwikkeling, zeer verdienstelijk werk. Van 1838 tot 1869 woont Alexander langs de Blasiusstraat in Rumbeke op een kasteel dat hij er liet bouwen. Op die plaats staan nu de gebouwen van "Onze Kinderen". In 1914 wordt, te zijner ere, de straat herdoopt in Alexander Rodenbachstraat. Alexander Rodenbach overlijdt te Rumbeke in 1869 en ligt begraven op het kerkhof van zijn geboortestad, Roeselare. Rumbeke, evenmin als de blindengestichten van België, vergeet deze uitzonderlijke weldoener niet. Voor zijn standaardwerk "Les Aveugles et les Sourds-Muets" wordt hij door de Paus gefeliciteerd en door de meeste staatshoofden van Europa vereremerkt. Op 14 juni 1953, ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de uitgave "Les Aveugles et les Sourds-Muets" richt Rumbeke, in samenwerking met de Belgische Blindengestichten, een standbeeld op van "Blinde Rodenbach" in de schaduw van Rumbeke-kerk. De zerksteen op de Stedelijke Begraafplaats van Roeselare werd enkele jaren terug vernieuwd door de zorgen van de Brouwerij Rodenbach. Op het stadhuis te Roeselare en bij de letterkundige maatschappij "Vereenigde Vrienden" van Rumbeke, worden op een ereplaats een geschilderd portret van Alexander Rodenbach bewaard. Beide schilderijen dragen de naamtekening "Jacobs, 1856". De derde zoon van Pieter Rodenbach, Constantin Rodenbach, de vurige, wordt geboren in 1791. Constantijn studeert aan het nieuw Klein Seminarie van Roeselare, bij de Broeders van 't Geloove en aan de "Ecole de Médecine" te Parijs. In 1813 wordt hij als aide-major naar Duitsland gezonden en bestuurt er het krijgsziekenhuis van Dresden. Bij de terugtocht van Napoleon raakt hij in Russisch gevangenschap en komt pas in 1815 naar België terug. "Ses parents qui le croyaient mort, le virent arriver comme un spectre amaigri par la misère", zegt zijn historiograaf A.D. In 1819 vestigt Constantin zich te Brugge als geneesheer en wordt er ook leraar aan de school van geneeskunde. Op het einde van het Hollands bewind, gaat hij over tot de politiek, wordt de bezieler van de weerstand in Brugge en sticht er, samen met Bartels en anderen, "L'ordre des infâmes" onder het motto "infamia nobilitat", als antwoord aan de Hollandse Vorst, die te Luik de ondertekenaars van het petionnement met die naam wilde brandmerken. Na de omwenteling wordt Constantin door het Brugse volk naar het Nationaal Congres gestuurd, waar hij een vooraanstaande rol speelt bij de uitsluiting van het Huis van Oranje. "Plus d'Orange, c'est mon cri de guerre". Hij staat aan het hoofd van de 75 ondertekenaars van het voorstel om Leopold van Saxen-Coburg tot koning te kiezen. Na de omwenteling wordt Constantin districtcommissaris, eerst te Sint-Niklaas, daarna te Mechelen. Tot 1840 blijft hij volksvertegenwoordiger voor Sint-Niklaas. Het jaar daarvoor was hij in het Parlement één van de heftigste tegenstanders van de afstand van een deel van Limburg en Luxemburg aan Holland. In 1841 benoemt de Koning hem tot zaakgelastigde van België te Bern en in 1846 te Athene. Twee maanden na zijn aanstelling in Athene overlijdt hij er plotseling en onverwacht. Hij wordt er met buitengewone plechtigheid begraven, rechtover het Acropolis (Standaard van Vlaanderen, 31 december 1846). Van de hand van Constantin Rodenbach verschijnen drie werken over heelkunde. Zijn voornaamste werk is "Episodes de la Révolution dans les Flandres de 1829 à 1832". Constantin is getrouwd met Louise Wieland, dochter van August Wieland-Dewilde, districtcommissaris van Oostende. Samen krijgen ze één zoon en twee dochters. Die zoon, Constantin Rodenbach, geboren te Brugge in 1824 en gestorven te Gent in 1891, schrijft verschillende verhalen van wandeltochten in de vallei van de Lesse, langs de Maas, te Hastière en Dinant. Zijn zoon, Georges Rodenbach, geboren te Doornik in 1855 en gestorven te Parijs op Kerstdag 1898, is een begaafd dichter, toneel- en romanschrijver van de school van "La Jeune Belgique". Georges is de schrijver van "Bruges la Morte" en de eerste Belg wiens toneelwerken in Parijs worden opgevoerd. Hij behoort echter méér aan Brugge en aan Gent, dan aan Roeselare. In Gent in de Frère Orbanlaan is aan de gevel van het huis nummer 9, waar hij van 1866 tot 1883 woonde, een bronzen herinneringsplaat met zijn beeltenis ingemetseld. Pieter Rodenbachs jongste zoon, Pedro Rodenbach, de soldaat, wordt geboren in 1794. Na wat gestudeerd te hebben aan het Klein Seminarie te Roeselare, trekt hij in 1810 naar Versailles, waar hij zich laat inlijven bij de "Grenadiers à cheval de la Garde Impériale". Hij neemt deel aan de veldtocht van Rusland en is tijdens de aftocht van Napoleon bij de ramp van Bérésina. Na de eerste val van Napoleon neemt hij dienst bij het Belgische leger en strijdt te Waterloo, in het korps der carabiniers onder bevel van de Prins van Oranje. Na de aanhechting van België bij Holland, in 1817, zegt Pedro het leger vaarwel en komt terug naar Roeselare waar hij samen met zijn vader, en later met zijn broers, de stokerij van "Cleen Spagnien" uitbaat. Evenals zijn broer Ferdinand maakt Pedro in 1821 deel uit van de Regentie. Tijdens de omreis van Koning Willem door Vlaanderen in de zomer van 1829, rijdt Pedro te paard van Roeselare naar Gits om er bij "'t Land van Belofte" aan de Vorst het verzoekschrift te overhandigen waarbij de vrijlating wordt gevraagd van De Potter, Tielemans en Bartels. Wanneer in augustus 1830 de eerste opstand in Brussel losbreekt, is Pedro Rodenbach er bij. Samen met Rogier, Chazal, Ducpétiaux en anderen maakt hij deel uit van de "Club van Sint-Jorishof". Pedro staat aan het hoofd van een compagnie vrijwilligers te Leuven, komt zelf naar Rijsel gestormd achter De Potter en brengt de gevierde banneling in zijn koets Brussel binnen. Het opgetogen volk spant de paarden uit en trekt in triomf het rijtuig de hoofdstad binnen. Op dat ogenblik wordt het volksdeuntje : "Jantje Kaas zit in de zak ; Vivat Potter en Rodenbach" geboren. Na de omwenteling wordt Pedro Rodenbach plaatscommandant van Brussel benoemd. In 1839 neemt hij ontslag maar blijft te Brussel wonen. Dat jaar wordt hij vermeld als "brander van binnenlands gedistilleerd tot Roeselare, gehuisvest en wonende te Brussel". Op 20 januari 1848 overlijdt hij te Brussel en wordt met militaire eer begraven op het kerkhof van Sint-Joost-ten-Node. Uit zijn huwelijk met Regina Wauters van Mechelen worden acht kinderen geboren.
Een halve eeuw nadat de gebroeders Rodenbach de stad Roeselare in het brandpunt plaatsten, is een kleinzoon van één van hen, de al-te-vroeg gestorven dichter Albrecht Rodenbach, de stad met een nieuw glorielicht komen omstralen. Albrecht Rodenbach is de kleinzoon van Ferdinand Rodenbach en de zoon van Jules Rodenbach-de la Houttre (°1824-+1915), die nog de onthulling van het standbeeld van zijn eigen zoon op het Sint-Amandsplein mocht beleven. Verder in dit werk wordt aandacht besteed aan de dichter-schrijver Albrecht Rodenbach. Zijn leermeester Hugo Verriest van het Klein Seminarie van Roeselare zegt over hem : "Rodenbach, de twintigjarige student, was in Vlaanderen een licht geworden, een vuur, een macht, een hoop, een toekomst. Wat ging hij worden ? De dichter, de ziel, het hert, de geest, het woord van het herwordend Vlaanderen". Eén broer van Albrecht, Boudewijn Rodenbach-Denys (geboren in 1862 en gestorven te Kortrijk in 1929) is bestuurder van de Nationale Bank in Kortrijk en heeft drie kinderen. Albrecht is pastoor van Sint-Jacobskapelle in Veurne-Ambacht en Georges is een grootnijveraar te Kortrijk. Dochter Isabella is de vrouw van Baldwyn Steverlinck, gewezen voorzitter van het Vlaams Economische Verbond en industriemagnaat te Kortrijk. Hun oudste dochter Gudrun wordt genoemd naar de heldin van Albrecht Rodenbach's literair meesterwerk. Een ander broer van Albrecht, Hyppoliet de wijnhandelaar uit de Noordstraat te Roeselare, heeft een zoon Werner, die een buitengewoon begaafd muzikant is. Nog een andere broer, Ferdinand (geboren in 1864 en gestorven te Brussel in 1938), is een schrijver en schilder met talent. De Rodenbachs zijn een familie van begaafde schrijvers, dichters, schilders en musici. Wanneer U het stadhuis van Roeselare betreedt, kijk dan aandachtig naar het ten-voeten-uit geschilderd portret van Constantin Rodenbach, en onvermijdelijk zult U zien en zeggen : "Dit is er één van een volk waar ras in steekt. Roeselare mag trots zijn op zijn Rodenbach's." De brouwerij Rodenbach heeft er toe bijgedragen om bij alle bierliefhebbers van het Vlaamse land en zelfs ver daarbuiten, de naam van "Rodenbach" in eer en achting te houden. Deze brouwerij wordt rond 1830 gesticht door de gebroeders Rodenbach, de patriotten van het jaar 1830 en is aanvankelijk gekend onder de naam : "Firma Van d'heeren A. Rodenbach en compagnie, Vereenigde brauwers te Rousselare". A. Rodenbach staat voor "Blinde Rodenbach" of Alexander Rodenbach, waarnaar zelfs een bier wordt genoemd. |
Snelkoppelingen Links Volg Stad Roeselare op
|
|
Officiële website van de Stad Roeselare - Alle rechten voorbehouden - Juridische informatie - Privacy - Sitemap | ![]() |