Oekene

Landelijk Oekene

Oekene lag destijds "upde heerstrate die naer Cortrijcke loop", zegt een 16de eeuws document. Dit was een verbindingsweg van Doornik naar Oudenburg, die tot stand kwam tijdens de periode van de romanisering.

Het kleine landelijke Oekene zit aardig geprangd tussen grote buren.  Bij een wandeltocht in dit groene oord zie je tal van grote en middelgrote landbouwuitbatingen. Al of niet van een klinkende naam voorzien, ademen ze een diepe rust. Opvallend zijn de oude bidkapellen, die het wel en wee oproepen van de vroegere bewoners.

Een monument te Oekene is de zeker onvolprezen Sint-Martinuskerk, het oudste gebouw in het dorp.

Sint-Martinuskerk

Capella Hocana

Men neemt aan dat "van in onheuglijke tijden" een kapel op dit lapje grond overeind stond. De patroonheilige van Oekene is Martinus. Een bidplaats met deze heilige als schutspatroon moet in de Merovingische periode zijn ontstaan, aldus sommige specialisten.

Met precieze zekerheid is het niet te zeggen wanneer een capella werd opgericht. Feit is dat 1116 het vroegste jaartal is dat gewag maakt van een capella in Hocana, aldus een charter bewaard in het Gentse Rijksarchief. Het was bisschop Lambertus van Noyon-Doornik die het patronaatsrecht van het altare van Rumbeche met de twee kapellen, Cakingehem (=Kachtem) en Hocana (=Oekene) aan de toenmalige abt van Sint-Omaars overmaakte. Er werd meteen een pastoor aangesteld om de parochie met beide afhankelijkheden te bedienen. Beweerd wordt dat Oekene een afzonderlijke parochie werd in 1252, maar de ons vroegst bekende pastoor is Jan Hellinc (1447-1455).

Dat vroege kerkje in Oekene, de capella Hocana, had een vierkante toren, met een achtkantige spits. De toren stond niet aan de noordkant van het kerkgebouw, zoals dat nu wel het geval is, maar in het midden. Het koor was oostwaarts gericht. De geuzen vernielden het gebouw in de 16de eeuw.

Eerste kerk

Nadien kwam een nieuwe kerk tot stand. Of liever : het verwoeste heiligdom werd uitgebreid. Er werd een middenbeuk opgetrokken en voorts kwam een zijbeuk tot stand, met een Martinusaltaar, te situeren aan de kant van de huidige sacristie. Het vroegere kerkje werd omgevormd tot een tweede zijbeuk, met een Onze-Lieve-Vrouwaltaar. Deze zestiende eeuwse kerk kwam met het koor tot aan de huidige communiebank.

De parochiekerk was toen 16 meter lang en 16,5 meter breed. De ingang onder de toren (6 meter doorsnee) en het koor (circa 7 meter lang) uitgezonderd.

Zo verkrijgen we een duidelijk inzicht in de grootte van het eerste kerkje, met name de helft van het huidige linkerkoor. Omdat veel Rumbekenaars 's zondags de Oekense kerk aandeden omwille van de voor hen gunstige ligging, achtte pastoor Ferdinand Glorieux (1892-1912) het noodzakelijk het kerkgebouw te laten uitbreiden, waarvoor dan een ouderlingengesticht werd gesloopt.

Sint-Martinuskerk

De eerste steenlegging van de groots opgevatte werken aan de Sint-Martinuskerk vond plaats met Oekene-Ommegang op 18 juli 1895, een verheugend feit voor de pastoor die in de noordmuur de eerste steen mocht inmetselen, bijgestaan door de leden van de kerkraad.

De nieuwe sacristie en bergplaats waren voltooid tegen het einde van 1896.

Wie de parochiekerk binnenstapt, merkt vlug enkele bijzonderheden op. Naast het fameuze Van Peteghem-orgel en de fraaie predikstoel, ziet men achteraan een oude gedenksteen.

Gedenksteen

In de 15de eeuw was de heerlijkheid eigendom van de edele familie Van Moerkerke. Jan Van Moerkerke stichtte in 1489 een fundatie aan de Oekense dis. De tekst van die fundatie staat gebeiteld op de merkwaardige arduinen steen, ingemetseld tegen de westmuur boven één der wijwaterbakken. Deze gedenksteen is een overblijfsel van de "tweede kerk", van na de geuzentijd.

Onderaan de gedenksteen staat in gotische letters een opschrift die de liefdadige stichting meldt ten voordele van de arme inwoners van de "prochie".

Boven op de steen staat een piëta, Onze-Lieve-Vrouw gezeten met de dode Christus op haar knieën. Enerzijds zien we een geknielde Jan Van Moerkerke, met naast zich zijn patroon, de heilige Jan-Baptist, met een Lam Gods in zijn hand. Achter Jan knielen zijn zes zonen. Anderzijds knielt Margriete, zijn vrouw, met haar patrones de heilige Margaretha met de draak en, eveneens geknield, hun vijf dochters.

Beweerd wordt dat het hier om de oudste uitgebeitelde Vlaamse tekst zou gaan.

Vermaard orgelinstrument

Wie in de Oekense kerk even omhoog blikt, merkt een wonderbaar orgel, een "Van Peteghem".

De bouw van het orgelinstrument werd toevertrouwd aan Pieter Van Peteghem uit Gent. Boven de middelpijpenbundel vinden we op een klein sierplankje het jaartal 1781, jaar waarin vermoedelijk het orgel voltooid werd. Een deel van de werkzaamheden werden uitgevoerd door schrijnwerker Josephus Staes uit Rumbeke.

De orgelkast is in stijl Lodewijk XVI en aanvankelijk stond het front op de balustrade, terwijl het klavier langs achter aangebracht was en de organist door een kleine opening in het meubel de priester aan het altaar kon zien.

Bij de bouwwerken in 1895-1896 werd het oude doksaal gesloopt en er kwam een gotische balustrade in de plaats, welke men nu nog aantreft. Het orgelmeubel zelf werd ietwat achteruit geschoven tot onder de torenmuur en het klavier werd naar voor gebracht zodat de speeltafel zich momenteel bevindt op het doksaal.

 

(1) CAGNEAUX, A., Geschiedenis van Ouckene. Roeselare, 1992, 220 blz.