Beveren

Naamsverklaring

De naam Beveren tref je in de geschiedkundige documenten voor het eerst aan in het begin van de elfde eeuw. Sommige bronnen spreken van een oudste vermelding in 1149 als Beurene, andere halen aan dat in 1145 reeds de plaats was gekend onder de naam Beverna, later Bevrene, Beiverne, Bevre en Beveren.

De naam Beveren verwijst naar het Keltische "Bebrona" (bebro = bever) of van het Ger-maanse "Bivruno (bivru = bever).

Carnoy beweert dat "Beveren" is ontleend aan een beek (Bebronna), wat betekent : water van bevers, water waarin bevers leven.

Geschiedenis

In de vroegste tijden behoorde het altaar van Beveren toe aan het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw te Doornik. Op bestuurlijk vlak was Beveren vóór de Franse Revolutie ingedeeld in twee heerlijkheden: Beveren en Onlede. Beide heerlijkheden hadden een afzonderlijk bestuur of "wet", met een eigen burgemeester. De heer was gemeenschappelijk.

Het dorp Beveren is nu nog altijd onafscheidelijk verbonden met de naam "Onlede", naar de vroegere heerlijkheid. Tijdens de middeleeuwen behoorde Beveren tot het Brugse Vrije en bestond uit meerdere heerlijkheden waarvan de grootste die van Beveren en van Onlede waren. De beroemdste zoon van het dorp is Jan van Vlaanderen, heer van Beveren en Onlede, bastaardzoon van graaf Lodewijk van Male. Jan Beveren en zijn vrouw Margaretha Boulangère kregen een laatste rustplaats in de kerk van Beveren. Het graf werd overgebracht naar het Gruuthuse-museum te Brugge. Als wapen voert het dorp Beveren het schild van Jan van Vlaanderen.

Landbouw en carrosserie

Beveren bij Roeselare was tot de jaren 1960 een vredig dorpje met één groot bedrijf, namelijk de carrosserie Jonckheere, die een groot deel van de Beverse mannenbevolking tewerk stelde.

Tot aan de expansiejaren telde Beveren ongeveer 800 woningen, de 143 landbouwbedrijven inbegrepen. De bevolking leefde van landbouw en veeteelt, vooral graangewassen en cichoreiwortels.

De arbeiders waren hoofdzakelijk tewerkgesteld in de industriële bedrijven, gericht op de autohandel en carrosserie. De lokale kleine handelsbedrijven werden beschouwd als bijverdienste.

Vanaf 1960 veranderde Beveren grondig.

Bedrijventerrein 'Roeselare-Noord'

Het Statiekwartier verdween voor een industriezone of bedrijventerrein, waar grote bedrijven zoals de electronicareus Philips, Dumo Plastics (schuimrubber) en Verhoestraete (metaalhandel) zich vestigden.

Het bestaand bedrijventerrein aan de Brabantstraat breidde uit, hofsteden verdwenen en gronden werden verkaveld. In de plaats kwamen onder meer de firma Snauwaert & Depla N.V., die tennisraketten en ruimtevaartonderdelen in kunststof vervaardigden maar die ondertussen van de markt verdwenen is, en de firma Jonckheere.

Per 1 juni 1964 werd Beveren officieel gefusioneerd met Roeselare. Vanaf dan valt het dorp binnen het administratief arrondissement Roeselare, onder het gerechtelijk arrondissement Kortrijk en onder het gerechtelijk kanton Roeselare.

Bedrijvencentrum

In 1987 werd het bedrijvencentrum, waar beginnende zelfstandigen zich kunnen vestigen in afwachting van een eigen administratie en beheer, opgestart.

Firma Jonckheere

De firma Jonckheere startte als een familiebedrijf. Het werd opgericht door Henri Jonckheere in 1881 voor het bouwen van koetsen, maar groeide vrij snel uit tot een toonaangevende naam op de wereldmarkt van autobus en autocarindustrie. Bij het begin van de negentiende eeuw carrosseerde de firma de eerste "luxe-voiture" en bij de aanvang van de jaren twintig startte de firma met de bouw van autobuscarrosserieën. De carrosserie Jonckheere is de bakermat van het carrosseriebedrijf in de provincie en heel het land. Ondanks enorme inspanningen, ontwikkelingen en uitbreiding, verkeerde het bedrijf in 1994 in moeilijkheden die ertoe leidden dat de Nederlandse firma Berkhof het carrosseriebedrijf overnam.

Kerk van Beveren

De kerk van Beveren bevindt zich op het Sint-Germanusplein. De torenkuip van de kerk Heilige Kruisverheffing dateert uit de 16de eeuw en van oudsher is ze bekend als bedevaartsoord voor de Heilige Donatus en Sint-Antonius Abt.

In de sacristie van de kerk wordt een merkwaardig processiekruis, in Doornikse smeedkunst uit de 13de eeuw, bewaard. Het processiekruis, ook wel Miraculeus Kruis genoemd, is vervaardigd uit hout en met zilver beslagen. Vroeger bevond zich, aldus de overlevering, een splinter van het kruis van Christus in het mirakelkruis. Nu wordt deze relikwie eveneens in de sacristie bewaard.

Aan het processiekruis zijn een aantal legendes verbonden. Zo zou op zeker tijdstip het kruis uit de kerk gestolen zijn. Het begon echter zo zwaar te wegen dat de dieven er zich moesten van ontdoen en het op een stuk land onderdolven. Later groeide op die plaats kruid, witte bloemen in de vorm van het kruis, waardoor het teruggevonden werd. Een andere legende vertelt dat op zeker ogenblik het kruis dat zich in een kamer van het huis van de koster bevond, ontsnapte aan een brand die het hele huis verwoeste uitgezonderd de kamer waarin het kruis zich bevond. Tevens zijn er twee wonderbaarlijke genezingen aan het mirakelkruis gewijd, met name het verhaal van een blind meisje dat in de kerk tijdens de zegening met het kruis plots uitriep : " Wat doet die meneer daar ?" en het verhaal van een razende man die genas tijdens de mis. Van deze verhalen is, binnen in de kerk, een afbeelding te zien onder de vorm van twee drieluiken.